De beweging der Natuur     

 

               In 1985 ben ik afgestudeerd aan de Hogeschool Beeldende Kunst te Utrecht. Mijn schildersmotief is sindsdien nagenoeg hetzelfde gebleven.  Ik cirkel steeds maar weer rond het begrip „AARDE“.  Het spanningsveld tussen aarde en het gemis aan aarde, is de drijfveer voor mijn schilderen. 

                De thematiek van de schilderijen betreft het gebaar van de natuur. Zij is voor mij de belangrijkste drijfveer en inspiratiebron. Wat ik ook doe, de natuur doordringt mijn leven. Ook in een stad met al zijn rechte lijnen en vlakken ontmoet ik de natuur steeds weer. 

                Zo’n  typische baksteen bijvoorbeeld, waarmee vele huizen worden gebouwd, is in feite niets anders dan een stuk gebakken aarde afkomstig uit de alpen en via de Rijn ons land binnenstroomt en als rivierklei achterblijft. Zo’n baksteen van dichtbij bekeken refereert naar de grillige struktuur van de natuur.

                Ook een microscopische opname van een blad papier toont hetzelfde patroon, namelijk een bepaalde grillige ordening en vormvariatie door de vele zeer kleine bijna onzichtbare houtsnippers. Zowel een baksteen alsook een blad papier laten een zekere ordening zien afhankelijk van de afstand waarmee gekeken wordt. Het is alsof de grilligheid en ordening op een bepaald punt in elkaar grijpen. In vele uitingen van de natuur zie ik een soortgelijke beweging.

Een hulpmiddel om dit beter te begrijpen en te verbeelden is voor mij een dialectische filosofie. Zowel het bewegingsprincipe in de tijd (these-antithese-synthese) alsook de wisselwerking en complementariteit tussen elkaars tegendelen (natuur versus cultuur) inspireren mij tot het maken van de schilderijen. Daarin wil ik eigenlijk tot een vorm van verzoening komen, waarin zogeheten dode materie (stenen, grilligheid) worden opgetild tot potentieel levende materie.

Aan de ene kant ervaren wij zoiets als grilligheid, het ongestructureerde en onvoorspelbaarheid. Maar aan de andere kant zien wij via wetenschappelijk onderzoek wetmatigheden en constanten in de natuur. Zodra een bepaalde grilligheid of toevalligheid in aantal toeneemt, zich uitbreidt in tijd en ruimte, is er geen sprake meer van willekeurigheid maar van een ordening en een structuur. Wanneer spreek je nu van een willekeur en wanneer van een ordening? Waar ligt de grens en hoe ziet die eruit?

Als de baksteen op tien centimeter afstand bekeken wordt, zijn er allerlei natuurlijke details te zien, terwijl op een grotere afstand de kleur en de rechthoekige vorm gaan overheersen. Het gebaar van de natuur ‘an sich’ is dus altijd zichtbaar.

En dat geldt mijn inziens ook voor het vraagstuk van wat nu eigenlijk “leven” is. Het leven kenmerkt zich door een complexe hoge ordening in een wereld van dynamiek, grilligheid en toeval. Tegelijkertijd is het leven ervan afhankelijk. De natuur stroomt als een machtige rivier door het leven heen en valt er op een bepaald moment mee samen: een energiewisseling en stofwisseling (metabolisme). Tussen het leven en de natuur bestaat een wisselwerking, een dialectiek, een gesprek.

In de natuur moet een impliciete ordening bestaan, die in het leven tot uiting komt en voortstuwt. In mijn schilderijen probeer ik door middel van olieverf, kleurgebruik, de penseelstreek en composities de wisselwerkingen en tegenstellingen van deze natuur in beelden om te zetten.      

Deze zoektocht is mijn inspiratie en schildersmotief.

Erik van Vugt, december 2013